|
|
De
motieven van degenen die in 1892 onze gemeente institueerden mogen bekend worden
verondersteld. Het ging hun om een prediking, waarin wedergeboorte en geloof
niet bij voorbaat als aanwezig verondersteld werden bij de gemeentenaren. In
wezen ging het hun om een prediking, die middel in Gods hand kon zijn om tot
wedergeboorte en tot geloof te leiden. Men zou ook kunnen zeggen: de
instituering van onze gemeente hing samen met het besef van de noodzaak om
de Here God waarachtig in het eigen leven te kennen; om mèt
Hem te leven. De
geschiedenis laat in zaken, die nu als kleinzielig ervaren zouden worden,
eveneens zien, dat niets menselijks aan onze gemeente vreemd was; en is! Want hoe
zal een later geslacht over ons denken? Maar
in wezen ging het om de Here. Dat is toch het besef, dat een leven zonder Hem
eigenlijk de naam ‘leven’ niet verdient. Daar gaat het ons wezenlijk nog om.
Dit
leven heeft zich afgespeeld in Rotterdam, die uitgroeide tot eerste haven in de
wereld. In deze stad, die ‘wereldstad’ is, hebben wij te leven. Als het goed
is, gaat het ons erom als nieuwe mensen te leven in een maatschappij, die nog
steeds zichzelf de wet voorschrijft. En dat is de oude wet van de mens zonder
God. Het gaat dus weer, of nog, om dezelfde zaak: de noodzaak van het werk van
Gods Geest in het leven van mensen, opdat zij tot geloof komen en uit dat geloof
leven. Een
van de facetten van het werk van de Geest is: het inplanten van de wet van God
in de harten van de gelovigen. Dat wat ons van nature vreemd is zal ons eigen
moeten worden. Pas dan zullen we bruikbare instrumenten van God kunnen zijn. In
een recent onderzoek naar de prediking in onze kerken* wordt gesteld dat het
daarin veelal heel sterk, zo niet uitsluitend, ging om het innerlijke leven van
de gelovige, de directe verhouding met God. Wij zouden een directe breuk
forceren met de bestaansgrond van de honderdjarige gemeente, als dit alles
buiten onze gezichtskring zou raken. Erger: we zouden stellig ook buiten de
traditie van de totale kerk komen te staan, als dit vergeten dreigde te worden.
In dit opzicht wilde men niets anders dan katholiek zijn. In
de opmerkingen van de hooggeleerde onderzoeker proefde ik de waarneming, dat ook
het leven met zijn raakvlakken naar de buitenwereld in de laatste jaren meer aan
de orde komt. Hij zag dat ook als winst, als noodzaak zelfs. Die
noodzaak wordt terecht gevoeld, in alle delen van het land, maar zeker ook in de
stad Rotterdam, waar wij ons niet aan het maatschappelijke gebeuren kunnen
onttrekken, zelfs al zouden we dat willen. Het
is één van de taken van een kerkeraad erop te letten, dat dit noodzakelijke
element in de prediking niet ontbreekt. Het is de zaak van de gemeente om ook in
dit opzicht gevoed te willen worden. Want wij zijn nu eenmaal kerk in de stad
Rotterdam. En hoewel buiten de eigen kring nauwelijks iemand op de hoogte is van
ons jubileum, de stad Rotterdam kijkt wel naar ons; naar elke afzonderlijke
christen, maar ook naar de gemeenschap van christenen, die een gemeente nu
eenmaal is. Tegen
deze achtergrond constateren we niet alleen, dat we 100 jaar gemeente zijn in
Rotterdam, maar willen we ook uitdrukkelijk uitspreken, dat het ons een behoefte
is om gemeente te zijn in de stad Rotterdam. * Enige
homiletische reflecties naar aanleiding van zestig jaargangen preken uit de
serie ‘Uit de Levensbron’ – rectorale rede van prof. Dr. W.H. Velema –
1992
naar vorig artikel terug naar overzicht naar volgend artikel |
|
|