Het kerkgebouw stond aan de Jonker Fransstraat. De achterkant was aan de Goudsedwarsstraat. Daar was ook de woning van het kosters­echtpaar Lems. Als je belde werd in de hoogte het raam opengeschoven, kwam het hoofd van Mevr. Lems, die riep: “Wie daar?” .

De kerkdiensten duurden ongeveer 2 uur. Daarna was er Zondagsschool tot half 2. Vrouwen en mannen zaten meestal gescheiden. Er waren 12 ouderlingen en 8 diakenen in het zwart; sommigen met billentikkers.

Dit was nog een aardige uitgave. Sommigen zaten meer dan 30 jaar in de kerkeraad en dan 1 was het jasje niet meer zwart maar donkergroen.

Als er Heilig Avondmaal was, werd er geen zondagsschool gehouden. Er werd gewoon gepreekt. Daarna gingen heel wat mensen de kerk uit. De tafels waren niet zo groot en er gingen niet zo veel mensen ‘aan’. Eerst kerkeraad en mannen, daarna vrouwen. ook aan de tafel was er nog een toespraak, dus bij elkaar een erg lange dienst.

Als je zondigde tegen het 7e gebod werd dit bekend gemaakt vanaf de preekstoel en moest er schuldbelijdenis gedaan worden voorin de kerk. Alleen als er gevolgen waren, anderen gingen vrijuit. Er waren toen nog geen voorbehoedsmiddelen en derge­lijke, en een lange verkeringstijd. Door de broeders en zusters werd hierover achter de hand gepraat, want kinderoren mochten dit niet horen.

Voor in de kerk stond een grote kolenkachel. Bij koud en nat weer kon je tegen vergoeding een stoof met een test met gloeiende kolen krijgen. Dit gaf een eigenaardige geur.

Er waren 4 kollekten, die brachten meer op dan één. Als kind kreeg ik per keer (je ging al jong 2 keer mee naar de kerk) 4 keer een 2-centstuk mee, en 10 kleine suikerpepermuntjes, elk kwartier één. Een hele uitgave.voor een gezin met 7 kinderen. De diakenen droegen zwarte handschoenen, dan gleden de stokken beter. Want er werd met de “hengels” gekollekteerd. Dit was oppassen dat er geen hoed afging, vooral als je niet groot was zoals Wim van Harten. Jongens gooiden wel eens een handvol knopen in de zak, zodat.de stok doorboog of er werd aan de kwast getrokken. Regelmatig viel er iemand flauw of werd onpasselijk. Meestal dezelfden. Ze werden de kerk uitgedragen, door sterke mannen. De kerkmeester kreeg er genoeg van, gooide de één een glas water in zijn gezicht en de ander werd een asbak vol sigarenas voorgehouden, zodat het gezicht vol as zat (de sigaretten waren uit de boze). Zo waren ze gauw genezen. Een ander verzetje was, als de koster de slapers wakker porde of als er één naar beneden gehaald werd. Ds. v.d. Molen preekte eens de zondag daarna over Pred. 4:17: “Behoed uw voet als gij Gods huis in gaat.”

Er werd plaatsengeld betaald. Er waren dure en goedkope plaatsen. Voor mensen, die dit niet betaalden, schoof koster Lems na de dienst een groen gordijntje open en hield een wit zakje op.

De catechisaties, wel gemengd, waren erg vol door de kinderrijke gezinnen. Je ging er graag naar toe en bleef er zo lang mogelijk op. Ook wel als je al belijdenis had gedaan. Om de orde te handhaven kwam de koster of een ouderling erbij zitten. Je moest vragen leren uit Hellenbroek, later een boekje van J.J. Jongeleen. Ook de Heidelbergse Catechismus. Als je belijdenis deed kreeg je namens de kerkeraad “De strijd des geloofs” van L.H. v.d. Meiden.

Op Zondagsschool leerde je een psalmvers en een tekst. Voor allebei kreeg je 2 punten. Voor 30 punten een boekje. Als je het hele jaar je best had gedaan, kreeg je met Kerst een boek/ dik of dunner naar gelang je geleerd had, een zakje snoep en een sinaasappel. Bij het verlaten van de Zondagsschool, als je ongeveer 12 jaar was kreeg je een Bijbel en psalmboekje. Kinderen uit armere gezinnen kregen bovendien een pakje met ondergoed e.d. gemaakt op Dorcas. Een breikrans was er ook. Later was er een dameskrans die spullen maakte en één keer per jaar een bazar hield, waarvan de opbrengst ten goede kwam aan de evangelisatie. Deze was aktief met clubs voor jeugd en ouderen. ook werd er huisbezoek gedaan. Eerst werd het blad “Licht en Waarheid” bezorgd in een bepaalde straat en later huis aan huis aangebeld.
Er was een mannenvereniging: hier kwamen ook heren van de Gereformeerde Kerk en van de Gereformeerde Gemeente;  een jongelingsvereniging “Gideon”; een meisjesvereniging “Lydia”; een knapenvereniging “Samuël” en een jonge meisjesvereniging “Hulda” met wel 35 leden. Er waren grote jaarfeesten met wel 100 belangstellenden. Eerst werden de zakelijke dingen behandeld en als je het ‘geluk’ had om om 10 uur thuis te moeten zijn, miste je de gezellige én leuke dingen. Als ouders meenden dat er iets niet gepast was, trokken ze aan de bel. Zo mocht je bijvoorbeeld geen sinterklaasje maken. Meestal werd er chocomel gedronken. Pas later kwam de vrouwenvereniging ‘Frouwe Venema”. Alles stond onder toezicht van de kerkeraad.

jeugdverenigingknapenvereniging

lydia

Er werd ook een schoolvereniging opgericht voor een eigen Christelijke Gereformeerde School. De Gereformeerde Gemeente deed dit ook. Er werd afgesproken, om aan het gewenste aantal kinderen te komen, elkaars kinderen op de school te doen in 2 verschillende wijken van de stad. Onze ouders hielden zich hieraan, maar helaas de anderen niet, zodat onze school niet van de grond kwam.

De dag na het bombardement bezocht ds. v.d. Molen op de fiets de gemeenteleden om te informeren of alles in orde was (telefoon hadden de meeste mensen niet). Ik dacht dat er één gezin, man, vrouw en dochter Schoon, omgekomen was. Velen waren huis en inboedel verloren. Ook ons kerkgebouw verbrandde. De kollektebus van de catechisatie werd gevonden: een klomp gesmolten koper.catechisatiebusgroot

We mochten kerk houden in de Gereformeerde Kerk aan de Snellemanstraat. ‘s Morgens om half 12 en ‘s avonds, dacht ik, om half 7 (tenminste ‘s zomers). Als het warm was ging je zo de benauwde kerk binnen en met regen stond je buiten te wachten. De gereformeerde dominee hield geen rekening met ons en preekte zolang het hem uitkwam. ’s Winters werd er ‘s middags om 3 uur kerk gehouden in de gymzaal van de Fabiusschool aan de Bergsingel vanwege de spertijd. Dan ging je in de morgendienst bij het laatste vers de kerk uit om vast het eten op te zetten. De eerste zondag na het bombardement preekte ds. v.d. Molen over Ps. 52:3: “Gods goedertierenheid duurt toch de ganse dag.”

De huwelijkskollekten vielen wel eens tegen en zo werd er van te voren f. 10,- gevraagd voor de trouwbijbel. Als de kollekte meeviel, kreeg je dit niet terug. In de nieuwe kerk was een mooie ‘trouwzaal’. Deze kon gehuurd worden, bij hoge uitzonderingen met het mooie kleed op de vloer. De kerkmeester had hier strenge orders voor. Achter zijn rug om kreeg men toch wel eens het kleed erbij. Zo was er geen eensgezindheid.

In de oude kerk waren nog voorlezers. Als er een nieuwe moest komen, werd er door alle ouderlingen proefgedraaid.

Op 1 januari, na de preek, wenste de dominee iedereen een gezegend nieuwjaar. Een hele rij werd opgenoemd: broeders van de kerkeraad, koster, organisten/catechisanten enz. Deze toespraak werd meestal beantwoord door broeder W. van Ree, dus nog 2 preken toe.

In de oorlog was er een zanggroepje van ongeveer 20 leden. Een groter aantal was verboden. Er werd gerepeteerd in het zaaltje bij de fam. Verkade aan de Burgemeester Roosstraat. Onder de vloer sliepen de kinderen en er stond ook een geit te mekkeren. Later ontstond hieruit een zangvereniging “Sursum Corda” met ongeveer 70,leden. De eerste dirigente was de bekende mevr. Grimberg-Huyzer. Zij leidde ook de aubade voor het stadhuis op Koninginnedag. We gingen zelfs zingen in Zierikzee, dat zoveel jaar bestond. Maar helaas kwam ook hier onenigheid, o.a. over het vers “Heer Jezus heeft een hofje waar schoon bloemen staan”. Dit was niet gepast.

Wie denkt niet bij het oprichten van diverse verenigingen aan mevr. Francien van Helden, nu 97 jaar en wonende in de Koningshof.

Mevr. Bokhorst (1992)