Wat de historie van de gemeente betreft, die staat beschreven in de gemeentegids.

Wat ik als kind van de gemeente herinner, is dat ik nog weet dat ik met mijn ouders naar de kerk ging in de Jonker Fransstraat. Daar zat ik naast mijn vader op de achterste bank, want de mannen en de vrouwen zaten streng gescheiden. Daar waren ook de doventelefoons, met lange steel en microfoon (net een lepel). Achter die bank stond een grote kachel. Die werd ‘s winters vroeg aangemaakt door Lems (dat was de koster), lekker warm daar. Ook maakte hij warme stoven met kooltjes vuur erin. Ook hingen er bordjes aan de muur. Je mocht niet op de grond spuwen of een brandende sigaar op de bank leggen. Er werd toen ook nog stevig gepruimd. Deze lekkernij kwam onder de dienst naast het kerkboek te liggen.

De devotie in een dienst ging langs mij heen. De eerbied die je van huis uit mee kreeg niet. Het waren sober geklede mensen, die als ze bij elkaar waren wat te vertellen hadden. Later op catechisatie bij ds. De Groot werd dat anders. Dat was het moment dat ik aan de weet kwam wat de dominee in de vakantie deed (hij was een Fries). Dan ging hij vissen, net als andere mensen overigens. Hij was een zeer achtenswaardig mens van zijn tijd.

De kerk was altijd overvol. Hele gezinnen kwamen lopen uit Zuid, uit de Peekstraat en Zinkerweg, en uit het westen. Fietsen was er niet bij. Als dat nodig was moest dat met de kerkeraad besproken worden. Twee oude dames kwamen ‘s zaterdags uit Overschie en logeerden dan tot ‘s maandags bij Arentje Kuip(?), om ‘s maandags weer naar huis te gaan.

Onze kerk was van de openbare weg af niet zichtbaar, ingebouwd tussen de huizen.

Het is inmiddels crisistijd. De helft van de bevolking was werkeloos en degene die werkte, had ook niet veel. De haven lag vol met verroeste zeeschepen. op die schepen zaten veel Chinezen, die konden niet terug naar hun land. In zwarte armoe gingen ze koeken bakken met pinda’s. Waar mensen liepen, gingen ze staan met een soort broodtrommel op hun buik en riepen: “Pinda, pinda. Lekker, lekker.” Deze uitgedroogde verschrompelde mens liepen wij voorbij, onbegrepen omdat we ‘s zondags niets kochten.

Toen ds. v.d. Molen kwam is er veel veranderd. De mogelijkheid om te geloven werd eigentijds voorgeschilderd. Er kwamen gemeenten in Zuid, West en Overschie.

A.Schenk (1992)

Generale synode van Rotterdam 1931