“de geschiedenis is een voortdurend opnieuw beginnen” (Thoukydides)

Het ligt in de bedoeling om in in dit artikeltje stil te staan bij de geschiedenis van onze gemeente. Gedenken houdt per definitie in een terugblik in de geschiedenis. Dit gebeuren gaat echter met zoveel mankementen gepaard, dat een grote beroepsgroep daarvan in zijn levensonderhoud kan voorzien. Zo valt er te denken aan het probleem, dat geschiedenis niet direct te vatten is. Het is alleen op een indirecte wijze door middel van tastbare overblijfselen bij benadering te achterhalen. Het Duitse bombardement heeft dit tastbare element wel tot een minimum beperkt.

Gelukkig heeft onze broeder Stoter er zorg voor gedragen, dat herinneringen over de geschiedenis van onze gemeente aan het papier blijvend zijn toevertrouwd. Additionele gegevens zijn voornamelijk ontleend aan in de loop der tijd uitgebrachte gedenkboeken.

Een ander probleem dat de kop opsteekt is, dat geschiedschrijving een interpreterende bezigheid is. U zult zich tevreden moeten stellen (althans wat dit artikel aangaat) met mijn subjectiviteit. Gebruikmakend van deze subjectiviteit heb ik gekozen om de geschiedenis uit de beginperiode van onze gemeente in (zeer) grote lijnen met u door te nemen.

 

De geschiedenis van het voortbestaan van onze kerken en onze gemeente na de vereniging van de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederduitsche Gereformeerde Kerken tot de Gereformeerde Kerken valt nagenoeg samen.

De predikanten ds. J. Wisse en ds. F.P.L.C. van Lingen stelden een bezwaarschrift samen tegen de voorgestelde vereniging en dienden deze in op de synode van juni 1892. Uit de handelingen van deze synode valt op te maken dat de 173 mannelijke en vrouwelijke lidmaten uit Rotterdam dit hebben ondertekend en daarmee vormden zij het grootste aantal ondertekenaars uit één gemeente (in totaal waren er 701 ondertekenaars). De Amsterdamse synode echter legde de bezwaren naast zich neer. In de Rotterdamse gemeente werden elf vragen aan de kerkenraad voorgelegd. Hierbij werd naar voren gebracht dat het beginsel van de Afscheiding in het geding was gekomen. In het ‘Wekkertje’ van 23 augustus werd de vragenlijst van de Rotterdamse bezwaarden in haar geheel afgedrukt.

Al met al besloten enkele bezwaarden in Rotterdam niet mee te gaan met de vereniging en te blijven wat men was, nl. Christelijk Gereformeerd. De diensten werden gehouden in een zaal in de St. Jansstraat 15.

In het jaar daarop werd de drijvende kracht achter het landelijke bezwaarschrift, ds. Van Lingen, bevestigd. Hij bleef echter maar kort aan onze gemeente verbonden, omdat hij al in september 1894 ging doceren aan de Theologische School in Den Haag.

De eerste synode werd in 1893 gehouden. De afvaardiging uit Rotterdam bestond uit de broeders Notebaart en Urbanus. De eerstgenoemde broeder heeft bij de synode van 1884 nog een belangrijke rol gespeeld bij de uitgave van een Kerkelijk handboekje. Ouderling Notebaart had het concept opgesteld. Als broeder Notebaart op de synode van 1895 verslag uitbrengt “van de exploitatie van dat boeksken”, dan blijken er duizend exemplaren gedrukt te zijn. Helaas moest broeder Notebaart zijn enthousiasme bekopen, want er werden ongeveer 200 exemplaren verkocht. Het nadelige saldo van ƒ 141,69 heeft hij voor eigen rekening genomen. Een schrale troost moet zijn geweest, dat de uitgave van Notebaart dertig jaar dienst heeft gedaan.

In de jaren dertig van deze (twintigste) eeuw zou Rotterdam een synode binnen de eigen muren krijgen.

In de beginperiode is de gemeente verscheidene malen verhuisd totdat een oude sigarenfabriek aan de Jonker Fransstraat werd gekocht. Aan de Goudsedwarsstraat bevond zich de hoofdingang. Omdat de gemeente voorspoedig groeide werd het gebouw tweemaal vergroot.

Samensprekingen met andere kerkgenootschappen uit de gereformeerde gezindte is niet een gegeven wat zich alleen nu afspeelt. In de jaren twintig is er een samenspreking georganiseerd. Ds. G.H. Kersten, de drijvende kracht achter de eenwording binnen de Chr. Ger. Kerk ging er vanuit, dat bij het zoeken naar gemeenschappelijk samenleven de Ger. Gemeenten zich zouden moeten aansluiten bij de Chr. Ger. Kerk. Het mag geen verwondering heten, dat deze samenspreking vruchteloos is gebleven.

Het gemeentelijk leven werd wreed verstoord op dinsdag 14 mei 1940. Ons kerkgebouw werd net als een groot deel van de stad door Duitse bommen verwoest. Op zondag 19 mei kwam de gemeente in de Gereformeerde Bergsingelkerk bij elkaar. Ds. Van der Molen preekte uit Psalm 52. De preek werd in druk uitgegeven. In de tale Kanaäns werd op bewogen wijze de gebeurtenissen weergegeven: “Met trillende stem zeggen we Jesaja na: Ons heilig en ons heerlijk huis, waarin onze vaders U loofden, is met vuur verbrand en al onze gewenschte dingen zijn tot woestheid geworden.” Het relaas wordt op zeer plastische wijze vervolgd: “De bommen regenden gierend neer, om dra donderend uiteen te springen, vernieling brengend alom. De vlammen loeiden aangeblazen nog als door Gods eigen mond, den fellen wind. Daar is op de portalen, in de kelders, op de straten gekermd; de handen waren met saamgeklemde vingers opgeheven; de nood omringde u als nooit te voren. ’t Was meer dan bang, niemand vergeet het ooit.”

bouwenDs. Van der Molen verliet onze gemeente in 1943 voor Arnhem. Ook daar werd hij op brute wijze met het oorlogsgeweld geconfronteerd.

In 1944 diende ds. J. Heerma onze gemeente, waarna hij in 1950 werd opgevolgd door ds. Geels.

Wat opvallend genoemd kan worden is dat in de loop der tijd vanuit onze gemeente verscheidene nieuwe gemeenten zijn gesticht. In 1926 was dit het geval in Rotterdam-Zuid. Een jaar later in West. In 1955 splitste de wijk Kralingen zich van Centrum af, als Rotterdam-Oost. De stichting van een gemeente in de Alexanderpolder in de jaren zestig sloot dit proces af.

Naast eigen predikanten heeft Rotterdam-Centrum ook predikanten voor de zending uitgezonden (ds. Van Dalen, ds. A. Rebel) en voor het werk onder doven (ds. Madern). Opvallend is ook het grote aantal predikanten, die een verleden hebben gehad in onze gemeente. Te denken valt aan o.a. ds. De Jong, ds. Van Sorge, ds. Madern en ds. Carlier.

Het is op zich te betreuren dat er maar weinig bewaard is gebleven van de geschiedenis van onze gemeente. Echter in deze aaneenrijging van menselijk handelen en vaak ook menselijke tekortkomingen, mogen wij het werk van onze Here Jezus Christus ontwaren, die als Hoofd van Zijn Kerk de zijnen bewaard.

Laat dit ons tot troost zijn en tegelijkertijd een appèl zijn. Gemeente-zijn is niet iets vrijblijvends. Laten wij dan wandelen, onze roeping waardig, met alle nederigheid en zachtmoedigheid, en elkaar in liefde verdragen en ons beijveren om de eenheid van God te bewaren.

Hans van Ieperen (1992)

Voor een schematisch overzicht van welke gemeenten zijn voortgekomen uit Rotterdam-Centrum klik hier.