Geschiedenis van de
Christelijke Gereformeerde Kerk van Rotterdam Centrum
De Christelijke Gereformeerde Kerk van Rotterdam (toen nog zonder de toevoeging
Centrum) werd gesticht in 1892.
De
aanleiding hiertoe was de vereniging van Dolerenden en Christelijk
Gereformeerden die samen de Gereformeerde Kerken in Nederland gingen vormen.
Hiertegen werd bezwaar gemaakt door de predikanten Van Lingen en Wisse die bij
de Synode van de toenmalige Chr. Gereformeerde Kerken een bezwaarschrift
indienden tegen deze vereniging. Enkele broeders in Rotterdam namen het
initiatief om de gemeente samen te roepen. Bekend zijn de namen van de broeders
Notebaart, Urbanus en Houweling.
In de
Nutszaal in de Oppert werd een vergadering belegd, waar ongeveer 200 mensen
aanwezig waren. Na de toelichting en bespreking was er gelegenheid, om het
bezwaarschrift mede te ondertekenen, waartoe een 60-tal broeders bereid bleek.
Hiertoe behoorde ook een zekere br. Nederlof, een naam die onder de ouderen nog
wel bekend is. Ten huize van br. Notebaart werd daarna een 2e vergadering belegd
waar 20 broeders aanwezig waren (vrouwenkiesrecht bestond toen nog niet). Er
werd daar besloten, om niet met de samensmelting der beide kerken mee te doen.
Twaalf broeders ondertekenden dit besluit. Zij geven kennis aan de kerkeraad dat
zij als Christelijke Gereformeerde Gemeente van Rotterdam bleven voortbestaan.
Zij
huurden een zaaltje in Jonker Fransstraat, waar al spoedig een 40-tal mensen
bijeenkwamen. Er werd een katheder gemaakt, welke tot begin 1940 in de Jonker
Fransstraat in gebruik is geweest. Spoedig moest men gaan verhuizen naar de
grotere zaal."Excelsior” aangezien het zaaltje in de Jonker Fransstraat
te klein werd. Men besloot de ambten te gaan instellen. De eerste ouderlingen
waren de brs. Notebaart en Urbanus. De eerste diakenen waren de brs. C. Kamp en
B. Nederlof. Bij de bevestiging was ook aanwezig de toenmalige student, later
prof. De Bruin. Onze gemeente was hiermede een continuering van de Chr.
Gereformeerde Kerken van 1834, zodat we in 1892 niet een nieuwe kerk geworden
zijn. Nog in 1892 werd Ds. F.P.L.C.van Lingen beroepen, die dit beroep ook
aannam en dus de eerste predikant werd van de opnieuw geïnstitueerde gemeente.
Zijn intredetekst was: En Mozes leidde het volk uit het leger. Hij werd
bevestigd met de tekst: Die zielen vangt is wijs.
Aanvankelijk
groeide de gemeente niet.Om financiële redenen moest men zelfs gaan verhuizen
naar een goedkoper en dus kleiner zaaltje in de Schoolstraat. Van 1894 tot 1897
was de gemeente vacant, waarna ds. H.A. Minderman (predikant op art. 8) zijn
intrede deed. Zijn tractement bedroeg f.1599,- per jaar, zonder vrij wonen, of
belasting. Hij was een echte grandseigneur met bontkraag en hoge hoed en een
zeer vlot spreker.
Hij
bleef slechts tot 1899, toen hij moeilijkheden kreeg met de Chr. Gereformeerde
kerk, haar verliet en een eigen gemeente stichtte. In 1897 verhuisde de gemeente
naar een zaal in de St. Jansstraat. Later kregen we een zaal in de
Eleonorastraat, welk pand was gekocht door ene mevr. De Goey. We hadden daar een
zaal voor 300 mensen. Na moeilijkheden met deze mevrouw werd een oude
sigarenfabriek aan de Jonker Fransstraat gekocht, alsmede twee panden aan de
Goudsedwarsstraat, waar de hoofdingang kwam. Er kwam ook een ingang via een
poort en hofjesgang aan de Jonker Fransstraat. Het was toen reeds gebruikelijk
dat kerkeraadvergaderingen voortduurden tot na het middernachtelijk uur.
Een
normale zondagse kerkdienst duurde twee volle uren en wanneer het H. Avondmaal
moest worden gevierd, dan hield men eerst de volledige twee-uurs dienst, daarna
werd het formulier gelezen en dan pas begon men aan de tafels. Het was dan ook
niet zo verwonderlijk dat velen, die toch niet het plan hadden om aan het
Avondmaal deel te nemen, de kerk verlieten, zodra de preek ten einde was,
terwijl anderen nog even de eerste tafel afwachtten, voor ze
met veel gestommel het gebouw verlieten. Een nogal wonderlijk gedoe, dat
echter in die tijd en ook nog lang daarna, heel gewoon werd gevonden.
Zo
was er ook nog de gewoonte, dat mannen en vrouwen strikt gescheiden in de kerk
zaten. Er waren banken voor mannen en vrouwen. Kleine kinderen mochten bij de
moeders zitten, maar als een jongetje 7 jaar was dan moest hij wel naar de
mannenbanken verhuizen. Slechts bij uitzondering werd toegestaan dat zo’n
knaap toch bij de moeder zat, maar dan liefst op het uitschuifbankje aan de
buitenkant van de bank. Alle banken hadden destijds van die uitschuifjes en die
werden ook alle bezet. Omstreeks 10 uur werden vanonder de laatste (kosters)bank
taboeretjes (een soort krukjes) tevoorschijn gehaald, waarmee de gangpaden
werden opgevuld! Was dat nog niet genoeg, dan werden de trappen naar de
gaanderij nog benut en een bank onder de preekstoel.
De
achteruitgang stond L-vormig op de kerk en liep een meter of 6 uit. Ook daar
allemaal taboeretjes, maar niemand die daar de dominee kon horen of zien. Soms
waarschuwde dan een goede hoorder met “st… hij gaat bidden”. Bij de
uitgang van de kerk stond de koster dan met een wit zakje, daar kon men het
plaatsengeld in doen. Op Nieuwjaarsdag was het privé, want dan inde hij de
Nieuwjaarsfooitjes.
Een
zestal kaarten aan de muur waarschuwde tegen milieuverontreiniging en bevatte de
woorden “Verboden op de grond te spuwen of vuil neer te werpen!”.
Ouderlingen waren daarvan kennelijk vrijgesteld, want daar hoorde je strijk en
zet een goedgerichte straal tabakssap op de grond ketsen.
Bij
het uitgaan van de kerk stonden aan de Goudsedwarsstraat vaak buurtkinderen toe
te kijken. Koster Groeneweg begon ze binnen te halen en paaide ze daartoe met
een mooi verhaal. Dit was het begin van de Zondagsschool “Laat de kinderen tot
mij komen”. Toos de Bruin werd in 1900 de eerste zondagsschooljuffrouw.
Ook
in 1900 kwam ds. W.F. v.d. Kodde. Hij bleef slechts 1 jaar.
Van
1901-1903 waren we vacant.
Van
1903 tot 1905 hadden we ds. A. Janssens, die terugkeerde naar de Gereformeerde
Kerken.
In
1906 werd hij opgevolgd door ds. H.A. Minderman, die terugkeerde tot de Chr.
Geref. Kerken en in een 2e ambtsperiode Rotterdam diende tot 1911.
Weer
waren we twee jaren vacant.
Op
17-2-1913 nam ds. P. de Groot een 2e beroep aan naar onze gemeente.
We hadden toen twee volle kerkdiensten. Velen kwamen uit Gereformeerde en
Hervormde Kerken naar ons over. In 1921 hadden we 1640 leden in in 1923 reeds
1750 leden! Gepreekt werd er geheel uit het hoofd. Tweemaal werd het kerkgebouw
vergroot en vergaderden wij tijdelijk in het verkooplokaal aan de Goudsesingel.
Ook
de stad Rotterdam groeide. In Rotterdam-Zuid verscheen een heel nieuwe woonwijk.
In 1926 werd de gemeente van Rotterdam-Zuid geïnstitutioneerd, met 300 leden en
een kerkgebouw aan de Goede Hoopstraat (thans ingericht als moskee!).
In
1927 vond de volgende afsplitsing plaats, in Rotterdam-West. In 1923 was ds.
Bijdemast reeds als 2e predikant van Rotterdam-Centrum gekomen. In
1927 werd hij de 1e predikant van Rotterdam-West, met een kerkgebouw
in de Coloniastraat. (In 1950 werd vanuit West de gemeente Overschie gesticht,
welke in 1974 weer werd opgeheven wegens gebrek aan leden)
In
1929 vertrok ds. De Groot uit onze gemeente.
In
mei 193 deed ds. S. v.d. Molen intrede. Centrum telde toen nog 1050 leden.
Begin
1940 onderging het interieur van ons kerkgebouw enige veranderingen. De
preekstoel (een “houten broek”) die zeer goed paste in deze smalle kerk
moest plaatsmaken voor een nieuwe,d ie geheel uit de toon viel. De mooie koperen
lichtkronen verdwenen en daarvoor in de plaats kwam een kille en onvoldoende
plafondverlichting. De banken in de kerk werden voorzien van lederen kussens,
maar het zitten werd er niet zoveel aangenamer door.
Lang
heeft de gemeente er geen plezier van gehad, want na enkele maanden, in de
meidagen van 1940, ging alles roemloos ten onder. Het orgel in de Jonker
Fransstraat was gebouwd door de firma Steenkuijl en Recourt en bezat 18
sprekende stemmen. Het was een goed instrument. Wat niet zo prettig was, was dat
het geen windmachine bezat. Er moest dus worden gepompt! Vooral in de zomer was
dat een warm karwei. Toen het een keer mogelijk was om een goede tweedehands
windmachine te kopen, werd dit afgewezen, omdat er dan op zondag stroom moest
worden gebruikt voor het orgel. De windmachine is er toen dus niet gekomen, want
men wilde niemand kwetsen!
In
mei 1940 kwam de grote ramp. Ons kerkgebouw aan de Jonker Fransstraat werd na
het bombardement geheel door brand verwoest. Met het kerkgebouw ging ook het
plaatselijk- en goeddeels ook het landelijk archief verloren. Er was medeleven,
ook van de zijde der Gereformeerde broeders. De kerk aan de Bergsingel werd aan
ons afgestaan. Daar werd op de eerste zondag na de ramp gepreekt door ds. S. van
der Molen. Kennelijk met het oog op de overvaller las hij Psalm 52: “Wat
beroemt gij u op het kwade, gij geweldige? Gods goedertierenheid duurt toch de
ganse dag. Gij zint op het verderf. Uw tong is als een scherpgeslepen zwaard.
Gij die bedrog pleegt, gij hebt het kwade lief boven het goede, leugen boven
waarheid spreken. Gij houdt van allerlei verderfelijke taal, van een
bedrieglijke tong”.
Hitler
had immers aan de vooravond van de overval nog gezegd ten opzichte van Nederland
geen kwaad in de zin te hebben. Datzelfde uur rukten de Duitse troepen reeds op
en ’s nachts kwam het telegram van onze gezant in Duitsland: “Houdt u
mannelijk, weest sterk”.
Later
kerkten we in de Snellemanstraat. Slechts eenmaal kwam onder de kerkdienst de
melding binnen dat de ‘Grüne Polizei’ bezig was de kerken uit te kammen. ER
werd even gepauzeerd om de jonge mannen de gelegenheid te geven de kerk te
verlaten en onder te duiken. De ‘Grüne Polizei’ kwam echter niet. Toch zijn
veler onzer in de loop van de oorlog tijdens razzia’s opgepikt en als
werkkrachten naar Duitsland gevoerd.
In de
Snellemanstraat stonden we soms te wachten voor we het kerkgebouw konden
binnengaan. Op een voorzichtige klacht daarover zei de dienstdoend predikant dat
hij er niet over dacht de dienst ook maar iets te bekorten. Dan moesten wij maar
later beginnen. Dat was bepaald niet vriendelijk van hem.
Eenmaal
tijdens stortregen, kwam de koster van de Gereformeerde kerk naar buiten om
tegen ds. Van der Molen te zeggen dat hij wel in de consistoriekamer kon gaan
zitten. “Nee,” zei ds. Van der Molen, “mijn mensen staan ook in de
regen”. Aanvankelijk werd de kerk ons gratis ter beschikking gesteld, later
werd ons ƒ
40,- per dienst berekend. Veel dank zijn
wij ook verschuldigd aan de brs. Van de Ger. Gemeente die op bid- en dankdagen
ons hun kerkgebouw gratis afstonden!
In
1943 vertrok ds. Van der Molen naar Arnhem.
In
1944 deed ds. Heerma zijn intrede.
Van
1946 tot 1948 hadden we ook nog ds. Tamminga als 2e predikant. Deze
keerde in 1948 terug naar zijn vroegere gemeente Enschede.
In
1950 vertrok ds. Heerma naar Groningen.
Van
1950 tot 1953 was ds. Geels onze predikant. Tijdens zijn periode vonden we na
vele, vele besprekingen, laats voor een nieuw kerkgebouw aan de Noordsingel.
Onze Rehobothkerk werd in gebruik genomen in 1951.
In
1953 werden we weer vacant, want ds. Geels vertrok naar Haarlem. Weer bleven we
twee jaren vacant. In deze periode was de zorg voor onze gemeente toevertrouwd
aan ds. J. Rebel, de reeds bejaarde predikant van Charlois, die destijds onze
consulent was. Hij kweet zich op uitnemende wijze van deze taak. In weer en wind
kon men hem op zijn fiets door de stad zien rijden.
In
1955 deed ds. T. de Bruijne zijn intrede in onze gemeente en hij zag kans om ons
16 jaren te verdragen. Hij was een man van bijzondere gaven en zeer
welbespraakt. Men zag hem bijna 16 jaren lang onafgebroken op de kansel.
Gedurende zijn ambtsperiode begonnen zich enkele veranderingen te voltrekken.
Het ritmisch zingen werd ingevoerd en we begonnen op de feestdagen, voor de
dienst, gezamenlijk Paas-, Pinkster- of Kerstliederen te zingen.
Door
veroudering van het stadscentrum verplaatsten meerdere leden zich naar de
nieuwbouw in de buitenwijken van de stad. Het kerkgebouw werd te groot en daarom
werden de achterste banken, onder de galerij, eerst gesloten en vervolgens
gesloopt.
Een
voorgenomen verbouwing, die nooit helemaal is voltooid, bracht de diakenen van
het podium af, terwijl de ouderlingen er nog een poosje bleven zitten. De oude
preekstoel werd vervangen door een soort vierkante kist, die vooraan op het
podium werd geplaatst, terwijl het podium zelf werd bekleed met een hardgroene
vloerbedekking. De verlichting werd ook niet voldoende geacht en een aantal
witte ballons werd aangeschaft om de kerkruimte ‘op te sieren’.
Was
het zo, dat in 1955 de wijk Kralingen, met spreekplaats aan de Oude Dijk zich als
Rotterdam-Oost had afgesplitst van Rotterdam-Centrum, thans stonden nieuwe
ontwikkelingen voor de deur.
De
gemeente Rotterdam ontwierp een plan om in de Alexanderpolder, ten oosten van
het Kralingse Bos, een nieuwe woonwijk te stichten. Om er bijtijds bij te kunnen
zijn werd besloten om, zodra de eerste bewoners zich daar hadden gevestigd, een
nieuwe spreekplaats te stichten, om zodoende bijtijds de nieuwkomers op te
vangen. Dit gebeurde in 1963.
Aanvankelijk
werd de nieuwe wijk bearbeid door Centrum en Oost gezamenlijk. Om de beurt
gingen ds. De Bruijne en ds. De Joode daar voor. Aanvankelijk 1x per zondag,
later 2x. Oost trok zich echter terug uit de samenwerking, onder het motief niet
voldoende mankracht te bezitten en Centrum kon het werk alleen voortzetten. Dit
werk bleef niet ongezegend.
Door
de steeds uitbreidende nieuwbouw, gevolgd door verhuizingen vanuit Centrum,
begon de wijk Alexanderpolder langzaam maar zeker te groeien. Het gevolg was
natuurlijk een verdere afname van Centrum.
In
1968 kregen onze kerken een eigen bejaardencentrum ‘De Koningshof’ dat
geopend werd in Rotterdam-Zuid, pal naast de Nebokerk. Ook daarheen vertrokken
een aantal leden. Bijna 30 bejaarde leden konden we in 1 keer uitschrijven.
In
1971 nam ds. De Bruijne een beroep aan naar Apeldoorn-Zuid, en werden we weer
vacant. Dit bleven we bijna 2 jaren. Gedurende deze twee jaren werden we
uitstekend verzorgd door onze consulent ds. C.J.P. Sobering, destijds predikant
van Rotterdam-Charlois.
Op 25
mei 1973 werd onze br. P.J. Madern bevestigd tot predikant speciaal voor het
werk onder de doven. Aangezien zijn werk regionaal was vestigde hij zich in
Scherpenzeel, hoewel hij als predikant aan onze gemeente verbonden bleef. In
datzelfde jaar werd onze gemeente weer verblijd met een eigen predikant in de
persoon van ds. A. Rebel.
Op
dat moment telde Rotterdam-Centrum 3 predikanten: ds. M. Rebel op het
zendingsveld, ds. A. Rebel in onze gemeente en ds. P.J. Madern voor het werk
onder de doven.
Ook
nog in 1973 begonnen de eerste samensprekingen tussen de Nederlands
Gereformeerden (voorheen de buitenverbanders) en onze gemeente. De eerste
ontmoeting was uitsluitend tussen de beide moderamina, later tussen kerkenraden.
Ook werden enkele malen ontmoetingen georganiseerd voor de gemeenteleden.
In
1975 verliet ds. M. Rebel ons, doordat hij overging naar een ander
zendingsterrein, uitgaande van de Canadese zending.
Het
was in de zeventiger jaren dat onze gemeente hard achteruit ging in ledental.
Schuldig hieraan was de migratie van leden naar de buitenwijken en omringende
plaatsen, alsook het feit dat praktisch al onze bejaarden verhuisden naar
Rotterdam-Zuid.
Daarnaast
echter begon ook de ontkerstening in de Randstad Holland zijn invloed te doen
gelden.
Tenslotte
werd besloten de kerk drastisch te verkleinen, en tevens een opknapbeurt te
geven. Het aantal zitplaatsen werd meer dan gehalveerd en teruggebracht tot 260
stuks. De galerij bleef met ongeveer 50 zitplaatsen op reserve.
De
kerkzaal werd hierdoor wel een stuk gezelliger, terwijl het afgesplitste deel,
de voorhof, als ontmoetingsruimte onder de galerij een aanwinst bleek te zijn,
mede door de daar gevestigde garderobe.
Ook
begonnen we tijdens de ambtsperiode van ds. A. Rebel met het zingen voor de
dienst van een Psalm in de nieuwe berijming. De bedoeling was, dat dit ter
kennismaking zou geschieden, doch het is intussen een vaste gewoonte geworden.
In
1978 verliet ds. A. Rebel ons om een functie te aanvaarden als tehuispredikant
in Naarden, in het verpleegtehuis ‘Naarderheem’. In datzelfde jaar overleed
ds. P.J. Madern. Vanaf dat moment telde Rotterdam-Centrum dus geen enkele
predikant meer.
Nog
in het najaar van 1978 deed ds.
J. Manni
, komende uit Assen, intrede in onze gemeente.
Hoewel het aantal leden nog steeds terugliep, ging het nu toch wat minder snel.
In het voorjaar van 1980 begonnen we voor het eerst met het zingen van een Psalm
in de nieuwe berijming tijdens de eredienst.
Voor
het eerst in de geschiedenis bleek het niet mogelijk om alle plaatsen voor
ambtsdragers vervuld te krijgen. Het gevolg was dat men het nieuwe seizoen
startte met 1 vacature voor ouderling en 1 voor diaken.
Gezien
de langzame verschuiving van leden van Centrum naar Alexanderpolder wijzigde de
verhouding tussen de 2 wijken. Kenden wij aanvankelijk de ‘moeder-dochter’-verhouding,
vanaf 1 september 1980 werden de 2 wijken volkomen gelijkwaardig, door het
instellen van wijkkerkeraden en een kerkeraad algemene zaken, de ‘Brede
Kerkeraad’.
Gezien
de onmogelijkheid om voldoende ambtsdragers te krijgen besloot de kerkeraad in
1983 om het aantal wijken terug te brengen in Centrum tot drie, zodat men daar
nog slechts 6 wijkouderlingen nodig had.
In
1986 werd de mannenvereniging ‘Apollos’ opgeheven wegens gebrek aan leden.
Op 1 oktober 1987 werd in beide wijken het zingen uit het Liedboek tijdens de
eredienst ingevoerd, en wel voor die liederen die door de Generale Synode waren
vrijgegeven voor gebruik in de eredienst. Voor de dienst zouden we dan gaan
experimenteren met die liederen uit het Liedboek die waren verzameld in een
bundel, die door de Synode wel was goedgekeurd, doch niet was vrijgegeven voor
de eredienst.
Vanaf
3-1-1988 werden in de wijk Alexanderpolder de middagdiensten gecombineerd met
die van de Ned. Gereformeerden, met dien verstande dat men bij toerbeurt elkaars
gast was.
Z.
Stoter, 1-8-1988
terug
naar overzicht
naar volgend artikel naar
boven
|