Zendingsdag
In mijn
herinnering waren de zendingsdagen in Oud-Beijerland een feest. Wij mochten dan
met opoe en opa mee. Opoe deed haar beste jak aan en haar kapokhoed op. Opa
droeg in het armsgat van zijn zwarte kostuum een paraplu mee. Wij zagen net de
punt ervan onder zijn jasje uitkomen. Met zijn ringbaard en grote gleufhoed op
was hij een indrukwekkende verschijning.
De reis ging
per boot. Op de kade stond al een groepje mensen te wachten. Aan opa werd
gevraagd wat hij van het weer verwachtte. Opoe was al snel in een diepzinnig
gesprek over de soms "moeilijke en zware weg" van het geloof.
Er kwamen hoe
langer hoe meer gemeenteleden en eindelijk ook de dominee. De boot kwam voor de
steiger en we gingen aan boord. Het was die dag stralend weer. Wij zochten een
plaats op het bovendek in de zon.
Ds. v.d.
Molen was pas in Rotterdam. Iedereen vond het geweldig dat hij meeging. De boot
maakte zich los van de kant en voer de rivier op. Dominee zette een psalm in en
daar galmde over de Maas: "Het ruime hemelrond, vertelt met blijde mond
Gods eer en heerlijkheid. . . . "
Bij sommige
aanlegplaatsen kwamen nog meer mensen aan boord. Met een volle boot arriveerden
wij in Oud-Beijerland. In optocht ging het naar de boomgaard, waar de dag
gehouden werd. Overal zag je gordijnen opzij gaan of stonden mensen in de
deuropening ons na te kijken. Opoe liep kaarsrechtop mee in de stoet, zich van
haar waardigheid bewust. Zij hoorde immers ook bij "dat volk".
Het meest
fijne van een zendingsdag was, dat wij niet aldoor op onze plaats hoefden te
blijven. Na verloop van tijd mochten wij aan de rand van het terrein in het gras
zitten. Wij kregen van opoe iets van het lekkers dat ze bij zich had:
boterbrokken en een appel.
Eens hadden
wij de belevenis dat zendeling Bikker een Toradja meebracht. Mijn zusje en ik
waren onder de indruk van zijn moed. Iemand uit zo'n ver land in zijn eigen
kleurige kledij, die ook nog durfde te spreken tot al die donker geklede mensen.
Zendeling Bikker, die kon vertalen wat er gezegd werd, moest wel heel geleerd
zijn, dachten wij.
Er was op
zulke dagen een groot gevoel van saamhorigheid. De wil om met elkaar iets tot
stand te brengen, zodat ook aan Toradja‘s het evangelie gebracht kon worden.
S.G.
v.d. Hoek-van Duuren
naar
vorig artikel
terug naar
overzicht
naar volgend artikel naar
boven |